16.Dan liever Daantje zijn

Ze kon doen en laten wat ze wou.
Er werd haar nooit iets verboden en ze kreeg alles waar ze om vroeg.
Ze hadden een hulp in de huishouding die ze meer zag dan haar eigen ouders.
Het leven was saai, ze zou willen dat ze het moeilijk had.
Daantje uit haar klas, die had het moeilijk.
Die had een dooie moeder.
Met haar zou ze best willen ruilen.
Die had een vader die spelletjes met haar deed.
Hij moest wel omdat er geen moeder was, had Daantje gezegd.
Haar eigen moeder had nooit tijd voor spelletjes.

Daantjes vader had haar opa kunnen zijn, zo oud.
Hij was een zeeman geweest totdat de moeder dood ging.

Nu draaide hij doppen in de fabriek.
Hij had de verhalen nog van de zee en het land en de piraten.
En dan dronken ze in het weekend bier en lachten ze zich het apezuur.
Dat zei Daantje.
‘Ik mag geen bier,’ had zij daarop gezegd.
‘Jij mag toch alles?’
‘Ik mag alles, behalve bier. Dat mag niet van de wet.’
‘Echt? Dan moet je het nooit vertellen, aan niemand.’
‘Ik vertel het niet als ik ook bier mag.’
Op Daantjes kamer dronken ze twee flesjes Grolsch.
‘Vind je het niet erg dat je moeder dood is?’ Had ze gevraagd.
‘Ik weet niet. Ze ging dood toen ik werd geboren.’
‘Was je vader niet boos?’
‘Hoezo boos?’
‘Dat ze dood ging omdat jij geboren werd.’
‘Denk het niet. Hij heeft het nooit gezegd.’
‘Vind je het zelf niet rot dan?’
‘Alsof het mijn schuld is.’
‘Natuurlijk niet.’
‘Waarom zou ik het dan rot moeten vinden?’
Dat wist zijzelf ook niet.
De dag daarop had Daantje niet meer met haar gepraat.
De dagen erop ook niet.
Een week lang heeft ze zich op haar kamer opgesloten.
Haar vader en moeder hadden het helemaal niet in de gaten gehad.
Ze mist Daantje en haar vader en de verhalen en het bier.
Ze zou bij Daantje aan moeten bellen en zeggen dat het haar spijt.
Ze weet niet precies wat haar dan moet spijten.
Ze had een vraag gesteld, maar een foute vraag.
Nooit meer iemand vragen of iemand zich rot voelt over iets.

Ze belt aan bij de deur op de derde verdieping.
Daantjes vader doet open.
Hij kijkt haar aan en zegt niets.
Zijn mond is een rechte streep.
Hij schudt zijn hoofd.
Ze trekt haar schouders op en kijkt naar beneden.
‘Dat soort dingen mag je nooit meer zeggen.’
‘Ik wist het niet.’
‘Dan weet je het nu.’
Hij laat haar binnen.
Daantje ligt op de bank en leest een boek.
Ze leest totdat het boek uit is.
‘Sorry van dat ik dat zei,’
zegt zij omdat Daantje blijft zwijgen.
Daantje legt haar boek weg en zegt:
‘Jij kan het ook niet weten.’
‘Nee, ik wist het niet.’
En later, op Daantjes kamer, drinken ze twee flesjes bier.

Scroll naar boven