18. lieve heer

Mijn hart is altijd koud geweest.
Geen liefde die mijn kant op kwam en ik wist niet hoe ik er op moest jagen. Het leven is niks waard als er niemand is die zich zorgen maakt om jou.
Gelukkig maakte ik me zorgen om mezelf.
Ik was nog jong en had een heel leven voor me. Dus begon ik mijn tocht. Te voet.
Lopend heb je de meeste kans van slagen.
Maar hoe en waar ik ook liep, niets kwam ik tegen.
Alles ging aan mij voorbij.
Bij een kerkje liep ik naar binnen. Vraag mij niet waarom, ik deed het.
Ik vroeg Hem waarom niets mijn kant op kwam.
Ik vroeg of Hij mij helpen kon.
Het bleef stil. Hij was er niet.
Op mijn weg terug naar huis kwam ik onder de auto.
De automobilist was meer in paniek dan ik.
Hij liep om me heen, bukte, stond weer op, knielde naast me, sloeg steeds zijn hand voor zijn mond.
Hij bleef maar herhalen dat hij me niet had gezien.
Ik probeerde hem te kalmeren, maar in plaats daarvan begon hij te huilen. Ik zei dat ik er meer aan had als hij een ambulance zou bellen. Na twintig minuten hoorden we de sirene over het vlakke land. Eerst zacht, dan steeds luider.
Ik had kunnen sterven die dag.
In plaats daarvan zat de jongen aan mijn bed.
Hij kwam elke dag langs met chrysanten.
Ik zei dat dat niet nodig was, hij vond van wel.
Het hele bezoekuur bleef hij. Hij gaf antwoord als ik hem iets vroeg, maar verder bleef hij zwijgen. ‘Veel stof tot praten heb je niet,’ zei ik om de stilte te doorbreken. Toch had ik liever dit ongemak dan een lege stoel.
Twee week moest ik blijven. Op de dag dat ik vertrok telde de kamer veertien bossen.
Zoveel bloemen hadden ze in het ziekenhuis nog niet eerder op een kamer gehad.

Het was een vreemde jongen, maar het was zoveel beter dan voorheen. Toen er helemaal niemand was aan wie ik vragen kon stellen.
Op de dag dat ik weer zo goed als lopen kon, ben ik met een bosje bloemen naar zijn huis gegaan. Hij had het niet nodig gevonden, die bloemen. En ik had gelachen.
Ik breng ze heus niet elke dag.
Jammer zei hij. Ik zie je graag.
Ik had hem niets gevraagd.
Ik kwam en bleef komen tot ik niet meer weg ging.
Alleen nog de deur uit om boodschappen te doen voor het eten.
Verder genoot ik van de tuin, die zo groot was als een parkje. Ik hoefde nergens meer heen.

Scroll naar boven