15.De kaartlezer

Tussen twee gebouwen ingeklemd woont de kaartlezer.
Hij heeft een groot bord boven zijn deur geplaatst.
Nu weet iedereen hem te vinden, degene die de weg kwijt is in het bijzonder.
Hij heeft net een kopje thee voor zichzelf ingeschonken wanneer er geklopt wordt.
Hij opent de deur.
Voor hem staat een lange magere man.
‘Bent u de kaartlezer?’ vraagt de man met zachte stem. Zijn ogen zijn rood omrand.
‘Dat ben ik,’ antwoord de kaartlezer. ‘Komt u verder.’
De man moet een klein beetje buigen om onder de deurpost door te kunnen.
In de woonkamer staat niet veel meer dan een tafel en een kast. De kast is gevuld met talloze kaarten. Alle netjes opgevouwen en genummerd, strak naast elkaar op de planken. In de hoek een staande lamp, boven de tafel brandt een felle TL. Daglicht ontbreekt.
Op de tafel ligt een wegenkaart van Nederland met naast de kaart een pot met stiften.
‘Wat kan ik voor u betekenen, meneer?’
‘Ik ben mijn vrouw kwijt.’
‘Wilt u haar zoeken of wilt u haar vinden?’
‘Ik wil haar terug.’
De kaartlezer knikt.
‘Ik help u op weg. Waar bent u haar verloren?’
‘Aan de rand van de stad. Een buitenwijk. Hij woont groot. Veel groter dan ik.’
‘Heeft u haar daar voor het laatst gezien?’
‘Nee, ik ben er nog nooit geweest.’
‘Hoe specifieker uw antwoord, hoe meer u eraan zult hebben. Waar bent u haar verloren?’
De man denkt diep na en zegt dan:
‘Ik geloof in de keuken. Ja, het was in de keuken dat ze het me vertelde. Ze had haar koffers al gepakt.’
’En in welke straat gebeurde dit allemaal?’
‘Bij mij thuis aan de Goeman Borgesiuslaan. Nummer 38.
De kaartlezer loopt naar de kast en pakt de kaart van Groningen, vouwt die open en legt ’m bovenop de andere op tafel. Precies op het genoemde adres zet hij een stip.
Hij stelt vragen over de situatie daarvoor en noteert telkens waar deze zich heeft afgespeeld. Op het eind verbindt hij de stippen met elkaar via de verschillende straten.
De laatste stip verbindt hij met de eerste, zodat er een cirkel ontstaat.
‘Ik zal u uitleggen hoe u lopen moet.’
Hij leest de kaart en zegt hardop wanneer hij links of juist rechts afslaat. Wanneer hij klaar is vouwt hij de kaart op.
‘U kunt de kaart meenemen meneer, maar beter is het wanneer u de route uit uw hoofd leert. Sta bij elke stip stil en stel uzelf de juiste vragen op de juiste plek. U zult zien dat u gaat vinden wat u zoekt.’
‘Hoeveel krijgt u van mij?’ Vraagt de man als hij de kaart in zijn binnenzak steekt.
‘U kunt me achteraf betalen. Geef gewoon wat u vindt dat het waard is.’
Nog maar net heeft hij zijn eerste slokken thee naar binnen geklokt of er wordt alweer op de deur geklopt. Aan de deur staat een man voor wie hij een paar maand geleden de kaart heeft gelezen.
‘Ik kom u betalen.’
‘Dat is altijd fijn. Komt u verder.’
De mannen zitten tegenover elkaar aan tafel.
‘U ziet er aanzienlijk beter uit,’ complimenteert de kaartlezer de man.
‘Ik moet u ook zeggen dat ik mijn reis als zeer nuttig heb ervaren,’ en hij legt 250 euro op de tafel.
‘Dat is een aardig bedrag.’
‘U weet niets over de hoogte van mijn inkomen.’ zegt de man lachend. De kaartlezer lacht mee.
‘Een rib uit uw lijf of een fooi, het zegt mij dat u baat gehad heeft bij de route die ik u gegeven heb.’ De man knikt.
‘U gaf me een route die lijnrecht naar beneden liep. Toen ik de laatste stip had bereikt nabij Maastricht ben ik doorgelopen. Pas halverwege Frankrijk kwam de ommekeer. Ik zou u graag willen vertellen wat me overkomen is.’
De kaartlezer schenkt de man een kop thee in en schenkt zichzelf ook nog eens bij.
‘Ik wil het graag horen. Vertel uw verhaal.’
‘Frankrijk dus, ter hoogte van Dijon. Voor mij uit, op een landweg, liep een vrouw. Ze droeg een prachtig jurkje, dat losjes om haar lijf hing. Bij elke stap die ze zette schoof het kleedje over haar heupen. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden. Ik zou het willen aanraken, maar dat zou de vrouw afschrikken, dus ik liet het uit mijn hoofd. In plaats daarvan vroeg ik haar de weg naar het dichtstbijzijnde dorp. Ze zei dat ze er woonde en zo liepen we samen een stukje op. We passeerden een meertje. Ze wilde zwemmen.
Ze trok haar jurk uit, stond een moment poedeltje naakt voor me en sprong in het water. Ze wuifde naar me en riep ‘Kom ook, het water is heerlijk.’
‘Ik kan niet zwemmen,’ riep ik haar toe. Wat waar is.
Haar jurk lag op de grond. Ik kon er eindelijk aan voelen. Die was zacht als zijde. Ik liet de stof door mijn vingers glijden en wilde meer. Ik liep een eindje van het meer af en trok mijn kleren uit. Ik gleed in haar jurk. Ze raakte mijn naakte lichaam. Ik bewoog mijn heupen, genoot van de tinteling op mijn huid. Ik voelde me gelukkig. Zo gelukkig had ik me nooit eerder gevoeld. Ik besloot de jurk aan te houden en terug naar huis te gaan.’
De kaartlezer had instemmend geknikt, zelfs op het moment dat de man afkeuring verwachtte.
‘Uw uitgestippelde route heeft mijn leven een meerwaarde gegeven.’
‘Je hebt de weg zelf gelopen,’ antwoordde de kaarlezer.
‘Ik heb je slechts een zetje gegeven.’
‘Zou u de jurk willen zien?’
‘Jawel,’ zei de kaartlezer.
De man stond op en deed zijn trui en broek uit. Daaronder droeg hij de jurk.
‘Helaas is het klimaat nog niet zodanig dat ik er mee over straat kan.’
De man liep de kamer rond, blij met zijn publiek.