17. hond en kind

Iedere avond liep zij met de hond een rondje,
dan kon ze langs zijn huis.
Hij kwam buiten en ze zoenden in de achtertuin,
soms één minuut, soms tien.
De hond wachtte netjes naast de conifeer.
Op een dag nam haar vrijer haar mee naar boven.
Toen ze nog geen half uur later weer beneden stond,
was de hond verdwenen.
De hele avond had ze naar hem gezocht,
totdat het zo donker werd dat zoeken zinloos werd.
Thuis lag vader al te slapen.
de flessen leeg op tafel.

In de ochtend hoorde ze de woeste voetstappen
van vader op de trap.
Het valt op wanneer een hond niet thuis is gekomen.
Ze stapte uit bed en samen zochten ze.
Ze riepen de hond bij zijn naam
in de wijk waar ze hem niet verloren was.

Later op de dag, vader lag weer op de bank te slapen,
vond ze hem, drijvend in een put.
Ze zag het voor zich,
hoe hij naar boven had proberen te komen.
De wanden glad, de put diep, het water koud.

Ze vertelde haar vader niets.
Hij praatte toch al niet meer met haar.
Totdat haar buik steeds meer ging groeien.
‘Is het wat ik denk dat het is?’
Was het eerste wat hij zei sinds maanden.
‘In dat geval,’ had hij gezegd, ‘mijn huis uit.’

Haar vrijer wilde niks van een baby weten,
hij was zelf nog een kind.
Voor de ongeborene een slechte start
voor de rest van zijn of haar leven.
Een vader die zijn kind niet wenst.

Ze zou een mooier verhaal willen.
Een vader die bij het circus werkte,
die door een val uit de trapeze het leven had gelaten.
Geloofwaardiger zou het zijn
als ze het dichter bij huis zou zoeken,
een val van de steiger.
Voor een kind is een gevallen vader
niet iets om trots op te zijn.
Een moeder die liegt nog lelijker.

Scroll naar boven