de overkant

Hij zit in onderbroek op de bank.
Zijn handen in zijn schoot en zijn hoofd gebogen.
Hij staat op en loopt de kamer uit.
Hij komt terug met een glas in zijn hand.
Hij gaat weer zitten.
Hij houdt het glas zo vast alsof hij zijn handen er aan warmt.
Dan neemt hij een slok.
Whisky, het is whisky.
Met een leeg glas loopt hij de kamer uit.
En met een vol glas de kamer weer in.
Hij kijkt voor zich uit en hij drinkt.
Hij zit op de bank en drinkt.
Er komt een vrouw binnen.
Steil zwart haar, tot over de schouder.
Ze heeft een zwart jurkje aan, tot net boven de knie.
Ze draagt haar jas over haar arm.
Buigt over hem heen en kust hem.
Hij draait zijn hoofd af. Naar het raam toe.
Zijn mond een streepje.
Ze gaat op de stoel zitten.
Hij op de bank, zij op de stoel.
Ze praten, hij staat op en loopt naar de keuken.
Ze volgt hem.
Ze blijven lang weg
Hij komt terug.
Hij pakt een tissue uit de doos op de tafel en snuit zijn neus.
De tissue stopt hij achter het kussen.
Zij komt binnen.
Ze gaat weer op de stoel zitten.
Hij verschuift naar het einde van de bank.
Verder van haar af.
Neemt zijn glas mee.
Ze praten.
Of nee.
Zij praat, hij zegt niks.
Dan staat hij met een ruk op en buigt over haar heen.
Ze duwt hem van haar af. Gaat staan.
Ze is groter dan hij.
Ze roept iets tegen hem en slaat hem
met vlakke hand in het gezicht.
Hij valt terug op de bank.
Ze slaat hem nog een keer.
Tegen de zijkant van zijn hoofd nu.
Hij doet niks.
Ze loopt de kamer uit.
Schreeuwt nog iets naar hem bij de deur.
Hij staat op en loopt achter haar aan.
De kamer uit.
Hij komt de kamer weer in. Loopt naar het raam.
Hij huilt zonder zijn gezicht te bedekken.
Hij kijkt naar beneden, de straat in.
Ze zit op haar knieën met haar verrekijker bij het raam. Zo zit ze al meer dan een uur.
Vanuit haar huis kijkt ze bij hem naar binnen.
Ze richt zich een stukje op en ziet de vrouw weglopen.
Ze kijkt haar na tot ze de straat uit is.
Wanneer ze terugkijkt naar het raam is de man weg.
Nu dan toch maar gaan slapen.
De bel gaat.
Ze kijkt door het spionnetje en ziet de man voor haar deur staan.
Ze gaat niet opendoen.
De bel houdt vier seconden aan.
‘Doe open,’ roept hij.
Hij slaat met zijn vuist op de deur.
‘Ik ga je aangeven. Kutwijf.’
Ze loopt naar haar slaapkamer en gaat in bed liggen.
De volgende middag belt ze bij hem aan.
Hij komt net uit bed lijkt het.
Een kegel van hier tot daar.
‘Ik kom mijn excuus aanbieden,’ zegt ze.
‘Dat mag natuurlijk niet wat ik deed.’
Hij kijkt haar aan met lege blik.
‘Normaal kijk ik naar vogels,’ zegt ze.
Hij zucht, schudt zijn hoofd.
‘Je bent raar. Wie doet dat nou.’
Ze trekt haar schouders op.
‘Ik doe dat nooit. Het was voor het eerst.
Alleen bij jou brandde nog licht.’
‘Hoe lang zat je daar?’
‘Niet zo heel lang.’
‘Dat zeg je maar.’
‘Nee echt. Je stond huilend voor het raam, dat is alles.’
‘Alsof dat niet genoeg is.’
Ze geeft hem haar verrekijker.
‘Vandaag mag je het terugdoen.’
‘Dat is heel wat anders. Je weet dat ik kijk.’
‘Kijk nou maar gewoon.’